Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX7714

Datum uitspraak2006-05-23
Datum gepubliceerd2006-06-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 05/2430
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verweerder heeft de hoogte van eisers toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) met terugwerkende kracht twee maal herzien . Verweerder heeft de als gevolg van de herzieningsbesluiten onverschuldigd betaalde toeslag teruggevorderd.
De door een coöperatie gemaakte winst is niet door eiser gemaakte winst en kan voor de bepaling van het recht op een toeslag in het kader van de Toeslagenwet niet zonder meer aan eiser toegerekend worden.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 05/2430 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2006 inzake [eiser], te [woonplaats], eiser, gemachtigde de heer F.A.M.A. Verberne tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), te Amsterdam, verweerder, vertegenwoordigd door het Uwv te Helmond, gemachtigde mr. A Jansen-Van Winden Procesverloop Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft verweerder de hoogte van eisers toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2003 herzien naar een bedrag van € 11,12. Bij een tweede besluit van 27 oktober 2004 heeft verweerder de hoogte van eisers toeslag met terugwerkende kracht over de periode van 1 juli 2003 tot 1 januari 2004 herzien naar een bedrag van € 11,32. Bij een derde besluit van 27 oktober 2004 heeft verweerder de als gevolg van de herzieningsbesluiten onverschuldigd betaalde toeslag over de periode van 1 januari tot en met 31 december 2003 ten bedrage van € 679,90 van eiser teruggevorderd. Het tegen deze besluiten door eiser ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 23 juni 2005 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. Het beroep is behandeld ter zitting van 18 mei 2006, waar eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Overwegingen In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 23 juni 2005 in rechte stand kan houden. Eiser ontvangt sedert 9 april 1980 een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %. Eiser ontvangt tevens een toeslag ingevolge de TW. Op 11 juli 2003 heeft eiser met zijn echtgenote de Coöperatie [...] U.A. opgericht. Blijkens de oprichtingsakte heeft de Coöperatie ten doel in de materiële behoefte van haar leden te voorzien door middel van de revenuen uit het door haar en met de leden uitgeoefende dienstverlenend bedrijf en handelsonderneming en de belangen van haar leden te behartigen door hen werk en inkomen te verschaffen en te laten delen in de resultaten van het bedrijf. Artikel 4 van de statuten van de Coöperatie luidt - voor zover hier van belang - als volgt: “1. De leden en de oud-leden zijn niet aansprakelijk voor de verbintenissen der coöperatie. 2.… 3. Aan het lidmaatschap is mede verbonden dat de leden door middel van hun uitdelingsrechten in de winst een bonuskapitaal zullen volstorten tot het bedrag dat jaarlijks door de algemene ledenvergadering zal worden vastgesteld. Het bonuskapitaal dient ter versterking van het eigen vermogen van de coöperatie. Jaarlijks kan de algemene ledenvergadering besluiten de hoogte van het te bereiken bonuskapitaal aan te passen. 4….” Aan het bestreden besluit ligt verweerders standpunt ten grondslag dat, nu eisers Coöperatie blijkens de jaarstukken over het jaar 2003 winst heeft behaald, de voor hem vastgestelde toeslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat deze toeslag aldus dient te worden herzien. Voorts stelt verweerder dat de onverschuldigd betaalde toeslag dient te worden teruggevorderd en acht hij geen dringende redenen aanwezig om van deze terugvordering af te zien. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert aan dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat hij inkomen uit de Coöperatie heeft verkregen. Eiser stelt dat de winst is toegevoegd aan de reserves teneinde als buffer te dienen in het geval dat er in de toekomst tegenvallende resultaten zijn. Tenslotte stelt eiser dat wanneer de winst in enig jaar wel zal worden uitgekeerd, verweerder dit bedrag opnieuw als inkomen zal aanmerken en zijn toeslag dan ten onrechte voor de tweede keer zal herzien. De rechtbank overweegt als volgt. Recht op toeslag heeft een gehuwde die recht heeft op loondervingsuitkering en per dag een inkomen heeft dat lager is dan het minimumloon. Daarbij wordt ingevolge artikel 6 eerste lid van de TW als inkomen aangemerkt: a. voor een gehuwde: de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en van zijn echtgenoot; b. (…). Ingevolge artikel 6 tweede lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere en zonodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het eerste lid. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode waarop die vaststelling betrekking heeft. De in het tweede lid bedoelde nadere regels zijn vastgelegd in het Inkomensbesluit Toeslagenwet (Besluit van 24 december 1986, Stb. 659, zoals laatstelijk gewijzigd bij het Besluit van 13 juni 2002, Stb. 341, hierna: het Inkomensbesluit). Ingevolge artikel 2 van het Inkomensbesluit wordt onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven onder meer verstaan winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep. Krachtens artikel 6, eerste lid, van het Inkomensbesluit wordt onder winst als bedoeld in artikel 2 verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1. van de Wet Inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek. Afdeling 3.2 Wet inkomstenbelasting 2001 betreft de artikelen 3.2 tot en met 3.7. Ingevolge artikel 3.2 is belastbare winst uit onderneming het gezamenlijk bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen verminderd met de ondernemersaftrek. Onder ondernemer wordt verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser geen ondernemer in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hij drijft immers geen onderneming voor zijn rekening en hij wordt ook niet verbonden voor verbintenissen van de coöperatie. Artikel 3.2 Wet inkomstenbelasting 2001 is mitsdien niet van toepassing. Ingevolge artikel 3.3 Wet inkomstenbelasting 2001 is winst uit onderneming - onder meer - mede de winst die de belastingplichtig, anders dan als ondernemer of aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming geniet uit een of meer ondernemingen. Uit de stukken en uit het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat verweerder van mening is dat eiser winst heeft genoten als medegerechtigde tot het vermogen van de coöperatie en dat op deze winst niet het kasstelsel, maar het vorderingstelsel van toepassing is. Verweerder heeft deze zienswijze op geen enkele wijze onderbouwd. Niet in geschil is dat indien feitelijk zou zijn uitbetaald er sprake zou zijn van inkomen aan de zijde van eiser. Aangezien vast staat dat niet feitelijk is uitbetaald is de vraag die beantwoord moet worden is of er in dit geval sprake is van het zogeheten kasstelsel dan wel van het vorderingstelsel. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom in dit geval uit gegaan zou moeten worden van het vorderingstelsel. Er is immers (volgens verweerder) sprake van inkomsten uit vermogen waarbij het fiscaal relevante genietingsmoment het moment is waarop wordt uitgekeerd, omdat pas op dat moment de belastingplichtige de beschikking krijgt over een geldbedrag waarvan de belasting kan worden betaald. Verweerder merkt terecht op dat voor de winstcijfers uit moet worden gegaan van de beoordeling die de fiscus heeft moeten doen naar aanleiding van de belastingaangifte van betrokkene. De rechtbank verwijst dienaangaande naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) d.d. 27-2-1996, RSV 1996,184. Eiser heeft, zo blijkt uit de stukken, geen aangifte gedaan van enig door de coöperatie aan hem uit te keren winst en de fiscus heeft geen winst in de aanslag betrokken. Ook op grond van verweerders eigen stelling zou verweerder, de fiscus volgend, derhalve moeten aannemen dat er geen sprake is van winst in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001. Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat het gaat om de beschikkingsmacht van eiser. Daarbij is een vergelijking gemaakt met de dga. Voor zover verweerder daarmee beoogt te stellen dat eiser zich door zijn handelwijze direct dan wel indirect heeft verrijkt met een bedrag ter hoogte van de in de coöperatie gebleven winst, stelt de rechtbank vast dat deze stelling niet aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden waardoor het noodzakelijk is geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de civielrechtelijke constructie van een coöperatieve vereniging, zodat voorshands niet gezegd kan worden dat eiser zich heeft verrijkt. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het beroep gegrond. De door de coöperatie gemaakte winst is niet door eiser gemaakte winst en kan ook niet zonder meer aan eiser toegerekend worden. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder dient aan eiser te vergoeden het door hem betaalde griffierecht. Daarnaast dient verweerder aan eiser te vergoeden de door hem en zijn gemachtigde gemaakte reiskosten op basis van openbaar vervoer, door de rechtbank begroot op € 26,20. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verklaard dat hij geen professioneel gemachtigde is zodat eiser niet in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten voor zijn gemachtigde. Beslissing De rechtbank, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 37,00 alsmede eisers reiskosten ad € 26,20. Aldus gedaan door mr. P.A.M. Penders als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg als griffier op 23 mei 2006. Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Afschrift verzonden: